Specialistische adviezen en tastbare oplossingen voor schoolleiders, bestuurders en toezichthouders
Ondersteuning door de huisjurist voor het christelijk onderwijs. Met juridische helpdesk voor snel en praktisch advies
Onderzoek, opleidingen en studiereizen op terrein van identiteit, governance en personeelsbeleid
11 oktober 2011 - 11:54 | In veel maatschappelijke sectoren bestaan klachten- of beroepscommissies die geschillen behandelen tussen partijen die in die sector actief zijn. Maar sluit zo’n procedure een gang naar de ‘gewone’ rechter uit, en hoe verhouden zich de mogelijke uitspraken tot elkaar?
Onlangs deed het Gerechtshof in Amsterdam twee maal uitspraak in zaken waar zich eerder ook de Commissie van Beroep in het voortgezet, respectievelijk het primair onderwijs over gebogen had. Deze Commissies vinden hun grondslag in de wet (artikel 52 WVO en artikel 60 Wpo) en de cao. In beide zaken ging het om het ontslag van een leerkracht. De betrokken werknemers waren, nadat hen ontslag was aangezegd, naar de Commissie van Beroep gestapt om te voorkomen dat ze op straat zouden komen staan. En met succes, zo leek het, de Commissie oordeelde in beide gevallen het beroep tegen het aangezegde ontslag gegrond.
Maar was hiermee de kous af? De werkgevers vonden in beide gevallen dat ze niet gebonden waren aan de uitspraak van de respectievelijke Commissies van Beroep en zetten de ontslagprocedure door. Ondanks het feit dat in de WVO en WPO (en de cao’s) is vastgelegd dat het bevoegd gezag van een school zich onderwerpt aan de uitspraak van de Commissie van Beroep.
Dat was voor de betrokken werknemers het aanknopingspunt om zich in de verschillende procedures die bij kantonrechters aanhangig werden gemaakt op te beroepen. De kantonrechters volgden de werknemers echter niet in hun redenering , waarop zij hoger beroep aantekenden bij het Gerechtshof in Amsterdam. Dit hof stelde in beide gevallen de appellanten in het ongelijk en bevestigde de uitspraken van de kantonrechters.
Kwestie 1 betrof een docent in het voortgezet onderwijs die door het bestuur op staande voet was ontslagen in een langdurig conflict waarbij er sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie. De Commissie van Beroep oordeelde dat ‘het gegeven ontslag op staande voet onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet de juiste wijze van beëindiging was’.
De kantonrechter ontbond vervolgens op verzoek van de werkgever wel de arbeidsovereenkomst.
De overweging was dat het wettelijke stelsel inzake beëindiging van een arbeidsovereenkomst een uitgebalanceerd en uitputtend systeem kent van opzeggings- en beëindigingsgmogelijkheden en dat een ontslag alleen nietig of vernietigbaar is volgens in de wet geregelde gevallen. Anders gezegd, de ter zake doende bepalingen in het Burgerlijk Wetboek prevaleren.
Ook in kwestie 2 was de kern van de zaak of het bestuur het oordeel van de Commissie naast zich neer mocht leggen. Immers, voor het bestuur geldt de wettelijke bepaling dat het zich onderwerpt aan het oordeel van de Commissie als een bekostigingsvoorwaarde. Voor een werknemer [in het bijzonder onderwijs] is die bepaling overigens niet van toepassing, heeft de Hoge Raad eerder geoordeeld. Alleen als werkgever en werknemer ondubbelzinnig zijn overeengekomen dat bij een arbeidsgeschil het advies van de Commissie bindend is, is ook de werknemer daaraan gehouden. In deze kwestie was die overeenkomst er niet.
Maar ook in deze zaak overweegt het Gerechtshof dat de Commissie geen wettelijke bevoegdheid heeft om een ontslagbesluit te vernietigen. “Een dergelijke bepaling kan niet uit het artikel 60 lid 3 Wpo noch uit enige andere wettelijke bepaling worden afgeleid”, aldus het hof.
Wel zag het hof in de concrete omstandigheden van het geval aanleiding om op grond van artikel 7:681 lid 2a BW aan te nemen dat het door het bestuur verleende ontslag kennelijk onredelijk is geweest. Het bestuur had aangevoerd dat de leerkracht niet geschikt was voor haar functie, maar het hof was daar, gelet op het oordeel van de Commissie en het gemotiveerde verweer van de leerkracht, niet van overtuigd. De werknemer had daarom recht op een schadevergoeding, waarvan de hoogte na een comparitie (een zitting voor een rechter) zou worden vastgesteld.
Overigens: uit de uitspraak van de Commissie van Beroep voor het primair onderwijs blijkt dat een werknemer wel degelijk belang kan hebben bij een voor hem of haar positieve uitspraak van de commissie, ook al legt de werkgever deze uitspraak naast zich neer. Het oordeel van de commissie levert de werknemer een onderbouwing van de stelling dat het ontslag kennelijk onredelijk is, waardoor toekenning door de kantonrechter van een vergoeding in beeld komt. Daarnaast biedt een voor de werknemer positieve uitspraak uitzicht op een uitkeringsrecht.
mr. Jolien Janse-Velema
Houttuinlaan 5b
3447 GM Woerden
Postbus 381
3440 AJ Woerden
Telefoon: 0348 74 44 44
Fax: 0348 41 14 56